Wapenstilstand in woorden, oorlog op straat
Nederland is een veilig land. Dat zeggen ze. Dat staat in rapporten, in statistieken en in de geruststellende woorden van beleidsmakers die zelden met de fiets door een wijk gaan waar de straatverlichting het niet doet. Nederland is veilig. Behalve als je per ongeluk op een verkeerde scooter rijdt, op het verkeerde moment in een snackbar staat, of je buurjongen zich gekrenkt voelt op Snapchat.
We hebben hier een wapenverbod. En toch gaan messen als broodjes over de toonbank — vaak letterlijk, want een keukenmes is nog steeds goedkoper dan een Glock. Schieten mag niet, maar het gebeurt. En men steekt er ook wat op los. Het lijkt soms wel of jongeren tegenwoordig met een mes in de broekzak worden opgevoed, net zoals wij vroeger met een zakmes in het bos hutten bouwden. Andere tijden, zelfde vorm, heel ander resultaat.
In Amerika zeggen ze: “Guns don’t kill people, people kill people.” Hier zeggen we liever niets, behalve achteraf. Dan zijn we “geschokt”, “bezorgd” en “in gesprek met betrokken partijen”. En dan hopen we dat het nieuws van morgen het weer over files en voetbal heeft.
Er wordt geroepen om strengere straffen. Of om meer preventie. Of om ‘een taskforce’. De oplossing voor alles is tegenwoordig een taskforce — een keurig woord voor een vergadergroep met kleurige PowerPoints en boterzachte actiepunten.
Maar de vraag is: waarom is er zoveel behoefte aan wapens, zelfs in een land dat zegt alles zo goed op orde te hebben? Misschien is het niet het verbod dat faalt, maar de samenleving zelf. Een samenleving waarin jongeren zich onzichtbaar voelen, waarin status sneller komt via geweld dan via school. Waarin volwassenen harder roepen om vrijheid dan om verantwoordelijkheid.
Tot die tijd houden we de illusie van veiligheid vast. Een mes snijdt tenslotte aan twee kanten: het wapen én het excuus.