Een kras op de plaat van de geschiedenis
Ze stonden daar. In groepjes bij de koffieautomaat, bij de bushalte, in een rij bij de zelfscankassa. Ze zeiden niks. Ze slikten hun mening door met lauwe cappuccino, zetten hun mondkapje op toen het moest, haalden hun schouders op toen het niet meer hoefde.
In 1933 knikte men ook beleefd. Men vond het vervelend, ja. Maar wat konden zij doen? De benzine werd weer betaalbaar en er was werk. Je kon nog naar het zwembad.
Nu liken ze kattenfilmpjes en reposten shit van influencers die vaag orakelen over ‘wakkere keuzes’. Algoritmes doen de rest. We zoeken naar de zondebok, terwijl ze ons piepelen en bestelen, terwijl we de wereld onbewoonbaar maken. Het overgrote deel van ons sociale leven ligt te grabbel – in handen van Amerikaanse techreuzen die miljarden pompen in de campagne van een megalomane gek.
Een minister in een land dichtbij verbrandt in een filmpje symbolisch een krant. „Satire”, roept men. De krant in kwestie krijgt dezelfde week geen subsidie meer. Toeval. En ook logisch: want links, of elitair, of allebei.
Overvoerd en overprikkeld
Iemand zegt: „Je mag tegenwoordig ook niks meer zeggen.”
En niemand zegt: „Misschien horen we teveel om nog goed te kunnen luisteren.”
De meeste mensen zijn overvoerd, overprikkeld en zijn de kunst verleerd van het kritisch kijken, goed luisteren en het naast elkaar leggen van meningen.
De stille meerderheid weet heus wel dat iets niet klopt. Maar ze hebben een hypotheek, een buurtbarbecue dit weekend, en een LinkedIn-profiel waarop staat dat ze ‘van verbinding houden’.
Ze zeggen niks. Klikken verder. Drinken hun koffie.
Tot op een ochtend het nieuws niet ververst.
Of de krant blanco is.
Of volstaat met winnaars en helden.
Dan zal iemand mompelen:
„Had ik toen maar…”
Maar niemand zal het horen.