Binnen zonder sleutel
Zoon appte: „Is er iemand thuis? Ik ben de sleutel vergeten.”
Zowel zijn vader als ik lazen zijn berichtje op het werk. Ach nee, hoe is het mogelijk. Daar ging onze hele discussie vanochtend over.
Het is dertig graden, hij heeft net een toets gemaakt. Ik had het met hem te doen.
Het deed me denken aan vroeger, toen ik zelf, net uit school, hijgend van mijn fiets stapte en me realiseerde dat ik de sleutel was vergeten en dus rechtsomkeert moest maken naar het winkelcentrum waar mijn moeder werkte. Niet zonder vloek of stoot, natuurlijk.
Gelukkig werkt zijn vader in onze woonplaats.
Groot leed
„Ik zou naar hem toe fietsen als ik jou was. Of bel even bij oma Suze aan”, appte ik.
Wat was er nou eigenlijk aan de hand? Alsof hem groot leed werd aangedaan.
Wat is dat toch voor reflex, als moeder? Bewijs van curlingouderschap? Misschien. Maar ik had hem gewoon lekker in huis gewild. Met een glas koud drinken, tegen de hitte.
Even later kregen we een appje: hij was binnen.
Oh?
Hij had een tak gevonden waarmee hij via het kattenluik onderin de keukendeur de sleutel aan een lange veter op het aanrecht had weten te vangen. Bij toeval hing de veter als een lange lus vanaf het aanrecht.
De sleutel kletterde op de grond. Hij schoof ’m met de tak naar zich toe – en ja hoor.
Dit vertelde hij me later pas.
Geen zin in
„Nu jij”, gebaarde zoon, toen ik in onze achtertuin stond en naar binnen wilde.
Voor ik het wist, werd ik buitengesloten. Hij deed de deur dicht en wees naar de tak.
Met strenge ogen keek ik naar mijn pesterige kind.
„Maarten, laat me naar binnen.”
Ik was net uit mijn werk, hier had ik echt geen zin in.
Hij stond voor het keukenraam en grijnsde naar me. Gebaarde weer naar de kleine tak op de grond.
Ik pakte de tak en zakte door mijn knieën voor het kattenluik.
Na drie pogingen viel de sleutel eindelijk van het aanrecht. Zo ver weg, dat ik er niet bij kon.
Zijn lach schalde door de keuken.
Hij deed de deur voor me open.
„Oh ja, en ik heb in de tuin geplast.”
„Dat meen je niet. Waar?”
„Maar het stinkt niet.”
„Ah nee, het heeft al weken niet geregend.”
Ik stond klaar met mijn gieter.
„Waar was het?”
„Daar”, zei hij, en wees naar de schutting.