4 mei
Het is lente, de lucht is helder geworden na een lange, donkere winter. Overal zingen de vogels, hele koren in de morgen en de avond. Je zou vrolijk moeten zijn maar dat ben je niet. Het is 4 mei.
Het is een soort Doomsday. Achter alle frisse en vrolijke lentekriebels zit een diepe duisternis. Vervolging, angst, moord en doodslag. En toch hebben we het niet over de oorlogen van nu. Er is er maar eentje die telt. Wereldoorlog 2. Die was uniek en met niks te vergelijken. Want alleen die hebben ‘we’ zelf meegemaakt. Daarom is het ‘onze’ oorlog.
De vrouw
Ze is een Duitse dame van 80. Dus net geboren op de valreep van de vrede. Ze heeft ‘onze’ oorlog niet meegemaakt, ik trouwens ook niet. Net als 95 procent van alle mensen. Maar allebei kregen we als kind van onze ouders te horen: jullie hebben die oorlog niet meegemaakt. Een zware beschuldiging die ons verbood om iets te zeggen. Net of wij het konden helpen dat we er toen niet bij waren. Dus blijkbaar was het toch ‘onze’ oorlog niet.
Duitsers dat waren de vijanden, vroeger. Maar als ik naar haar kijk, zie ik gewoon een mens die net zomin raad weet met die duisternis als ik. Ze vertelt hoe zij als klein kind eigenlijk niks van die oorlog hoorde; niet op school en niet thuis. Alleen dat drie familieleden dood waren. Een in Rusland, een verdwenen en eentje – die was fout. De schaamte erover is er nog steeds. Jaren later waren ze in Nederland, zij en haar drie zussen. Ze bezochten het Achterhuis in Amsterdam. En kwamen naar buiten alsof ze waren afgeslagen. Deze waarheid hadden ze nooit geweten. Hoe kon je de mensen ooit nog onder ogen komen? Wie was je vader eigenlijk geweest? Die man die op je mopperde, maar je wel beschermde, of…?
De jongen
Zijn ogen hebben teveel gezien van dode mensen. Zijn vader, zijn moeder, zijn halve familie. Hij is een vluchteling uit het Midden-Oosten, ja, precies: zo een die we hier niet motten. Hij kost teveel, zijn eten en bed kan hij niet betalen. En rijk Nederland kan dat geld niet missen. Ik snap niet waarom. Maar als hij begint te praten, word ik helemaal stil. Hij treurt om dode kinderen, ook al zijn ze niet zijn brusjes. Ik heb nog nooit zulke doffe ogen gezien bij zo’n jonge knul, als hij vertelt over de oorlog van nu. Zijn oorlog. En die is hetzelfde als die oorlog van toen. Mijn oorlog. Puin en angst en pijn en dood. Wat is een oorlog anders? Er is geen mijn en dijn in oorlogen.
Als ik naar die jongen kijk, zie ik gewoon een mens. En in zijn ogen zie ik mezelf, ook een mens. Dus praten we zoals mensen nu eenmaal doen. Over dezelfde dingen. We moeten goed zijn voor elkaar. Niet moorden, niet stelen. Niet elkaar bevechten. Dat klinkt als de tien geboden. Hij heeft er ook een lijstje van. Hetzelfde lijstje, een andere naam. Er is geen verschil tussen ons, we zijn mensen.
Herdenken
Foto’s van doden staan op onze dressoirs, hangen aan onze muren. Wij kenden ze, herdenken ze. Of het nu oorlog is of niet. Het gaat om onze familie, onze wijken en dorpen, onze bevrijders, onze herinneringen en die van onze ouders. Daarop heeft de tijd geen vat. De publieke landelijke herdenking is heel wat anders. Daarbij maakt kennelijk de staat uit aan wie en wat wij mogen denken, terwijl veel huidige inwoners herinneringen hebben aan heel andere oorlogen. Dat wringt.
Herdenken is goed, maar een herdenking die blijft stilstaan, is gedoemd te verdwijnen. Terwijl het nu juist zo nodig is om na te denken. Welke oorlog mag er dan wel? Alle oorlogen die ‘ons’ niet troffen? En welke uitsluiting van bepááálde mensen? Die ‘ons’ niet troffen? Dezelfde vragen en steeds nieuwe antwoorden. Daaraan denken, dat wringt. En zo hoort het ook. Alleen dan blijven we echt herdenken. Want ook jullie hebben ‘de’ oorlog niet meegemaakt. De koning niet, de regering niet, de volksvertegenwoordiging niet, burgemeesters en wethouders en de gemeenteraden niet.