Wie is mijn naaste?
Het debat in de Tweede Kamer was al maanden bezig. De gemoederen waren verhit, zo niet op hol geslagen en de journalisten kwamen vingers tekort om alle scheldwoorden op hun laptop te krijgen. De brandende vraag was en bleef: ‘Wie is mijn naaste’?
Ja; natuurlijk zitten die naasten in de economie: alle multinationals en multimiljardairs. Plus de Hardwerkende Nederlanders, wie dat dan ook mogen zijn. In elk geval wil GL daar zijn zeteltjes van krijgen en dat willen VVD, D66 en NRC net zo graag. Over één ding was iedereen het eens: er zijn zat mensen die er niet bij horen en die zijn dus onze naasten niet. Je moet tenslotte iets te discrimineren overhouden: ouderen, armen, slechtopgeleiden, asielzoekers, arbeidsmigranten en ander gespuis. Hun stemmen tellen niet, hun noden ook niet.
De spreker
Op het spreekgestoelte stond een onbekende. Hij droeg net als veel mannen in het Midden-Oosten een lange witte boernoes. Hij had zwart krulhaar, een baard, opvallende ogen en een ‘licht getinte’ huid. Was hij soms een asielzoeker? De Kamer keek wenkbrauwfronsend toe. Deze kerel had zich duidelijk niet aangepast. Vreemd dat hij dan toch recht van spreken had. Waar moet dat heen met onze democratische staat en onze christelijke tradities?
De parabel
Meneer de voorzitter. Het gaat er nu dus over wie onze naaste is. Ik zal het u uitleggen met een verhaal want zo’n parabel werkt het beste. Een politicus ging ’s nachts naar huis na een kroegbezoek met veel deftige alcohol. Hij kon de parkeergarage niet meer vinden – gelukkig maar – en verdwaalde op het industrieterrein. Uit het niks landde een knuppel in zijn nek en werd hij van zijn creditcard en bankpassen beroofd plus zijn dure sieraden. Onder dwang moest hij zijn codes afgeven en daarna werd zijn schedel duchtig bewerkt zodat hij bewusteloos raakte door een zware hersenschudding. De rovers lieten hem hulpeloos achter en maakten dat ze wegkwamen. Naar de pinautomaat en de nachtwinkels.
Later passeerde een andere politicus. Hij herkende zijn collega niet vanwege al dat bloed, maar had ook geen zin om beter te kijken. Het was te onveilig hier, wegwezen dus maar. Een half uur later liep een Quote 500-individu langs. Ook hij voelde niks voor hulp en passeerde het kreunende slachtoffer, terwijl hij angstvallig naar de lucht keek. Tegen het ochtendgloren kwam een statushouder voorbij, die na zijn werk als nachtwaker in een mega-magazijn terugging naar zijn kamer op de doorstroomlocatie. Hij zag de zwaargewonde man wel en verbond de hoofdwond met zijn shirt. Hij besefte dat het slachtoffer naar de Eerste Hulp moest. Maar omdat ook de dure telefoon van de man was gejat en de hulpverlener er zelf geen had, hees hij de mishandelde politicus op de bagagedrager van zijn fiets en bracht hem lopend naar het ziekenhuis. Het was een heel eind. Maar hij leverde hem netjes af bij de SEH en liet zijn naam en adresgegevens achter voor het geval er nog vragen waren.
De hamvraag
Meneer de voorzitter; mijn vraag aan de Kamer is: wie was de naaste van de gewonde man? De politicus, de Quote 500-er of de statushouder?
Diepe stilte. Alle Kamerleden kijken een andere kant uit. Behalve naar de spreker. Want ze weten nou wie hij is. Diezelfde vent die tweeduizend jaar geleden werd herkend aan het breken van het brood. En die zei: „Al wat je doet voor een ander, doe je voor Mij.” Dat wordt even slikken voor die Kamer.