Moerstaal en moeders

Geertje Paaij 13 mrt 2025

Soms zit taal verscholen in herinneringen, gebaren en de stemmen van dierbaren die allang niet meer bij ons zijn.

Mijn vader die mij op de arm nam en een oud kinderliedje zong:

Maantje tuurt, maantje gluurt
Al door de vensterruiten.

Mijn moeder, die zacht zei: „Een beetje meer koerage”, als ik als onzekere puber mijn schouders liet hangen. Mijn ouders hielden van elkaar op een manier die geen woorden nodig had, maar die nog altijd voelbaar is. Hoe ouder ik word, hoe dichter ze bij me komen. Hun taal leeft in mij voort als een stille gids.

Maar tegelijk is er de pijnlijke tegenstelling: mijn eigen dochters, van wie ik de taal niet meer versta.

Glimlachen of huilen

Mijn oudste dochter zei ooit, tijdens haar eerste psychiatrische opname, dat de stemmen in haar hoofd Voetstappen van de liefde fluisterden, toen we door de ziekenhuisgang liepen. Volgens haar bedoelden de stemmen dat ze mij aardig vonden. Mijn keel snoerde zich dicht – ik wist niet of ik moest glimlachen of huilen. Nu besta ik al elf jaar niet meer in haar wereld. Het meisje dat ooit appeltaart voor me kocht van haar zakgeld, is er niet meer.

Mijn jongste, ook uit mijn leven verdwenen, gaf me ooit een dagboek waarin ze als 13-jarige schreef: Omdat ik met heel mijn hart van je hou. Waar is die liefde gebleven? Haar verjaardagskaart, waarop ze me nog vele jaren wenste, ligt ergens diep weggestopt. Te pijnlijk om te lezen, te waardevol om weg te doen.

Versteend gezegde

Mijn gedachten maken een sprongetje naar: Loop naar je malle moer. Een versteend gezegde, maar zouden mijn dochters het kennen? Ooit las ik hen voor het slapengaan voor en eindigde steevast met: Poppetje gezien, kastje dicht.

Het thema ‘Je moerstaal’ van de Boekenweek raakt me meer dan ik had kunnen bedenken.

Reacties