Lammerend
Zalig is het, te lopen door de stad en te zien hoe gelukkig iedereen kijkt omdat de lente is begonnen. Ik wandel verder en zucht, omdat ook ik voel hoe erg het lente is. Om mij heen paren de waterhoentjes, oh nee ze vechten, want er komt er één tussenbeide. Ach, maar dat geeft niet, want de mensen kijken er lachend naar en zien hoe het diertje keer op keer wordt ondergeduwd. Het zonnetje schijnt zo lekker. Met een fijn briesje. Heerlijk, dan, is de uitlaatgas-geur van de auto die net langsrijdt alweer bijna weg op het moment dat je een grote hap inademt om de walm parfum op te snuiven van de voorbijganger die blijkbaar nog ergens iets god te maken heeft.
Ik tel tien kuikentjes, waarvan één de kleur geel. Vreemd, denk ik nog, want het is net pasen geweest. De kuikentjes, waarvan nu nog negen, volgen het gepiep van hun moeder. Of anders opvangjuf. Want de andere eenden hebben belangrijker zaken te doen, zie ik. Ja, die eenden hebben het goed voor elkaar. Knus in het zonnetje dobberen. Ik wil ook dobberen. Maar als er een vis op zijn kant ligt, betekent dat dan dat ik nog even een paar maanden moet wachten? Het zal ook nog wel te koud zijn voor een echte zwempartij. Ook al lopen de mannen in bibliotheken op blotevoeten-sandalen en verschijnen de bloesempartijen bombastisch aan de takken. Nee, het is hoedje-op-hoedje-af voor mij. Met dit weer weet ik nooit wat en of ik wel wat aan moet doen.