Kijkje in de kliniek

Met twee gevulde tassen stond ik op de parkeerplaats. Ik voelde hoe mijn vingers zich strak om de hengsels van de tas klemden. Dit was het dan. De eerste stap naar verbetering. Zou ik hier een eind kunnen maken aan mijn beperkende levensstijl?
Enigszins onzeker liep in naar de hoofdingang. Een blonde vrouw met lieflijke uitstraling vroeg: ‘Ben jij de nieuwe?’ Aha, ze waren dus voorbereid op mijn komst.
En zo begon mijn nieuwe leven. De eerste stap in de kliniek beangstigde me. Wat zou ik tegenkomen? Mensen die tegen planten spreken? Doelloos voor zich uit staren? Echte gekken? Wat ik zag verraste me. Een soort huiskamer met normale mensen. Geen gedrogeerde zombies met enorme woede-uitbarstingen. Het had ook een bijeenkomst voor de nieuwe buurtbarbecue kunnen zijn. Door middel van een kaartje op mijn nieuwe kamer werd ik welkom geheten door alle medecliënten van deze kliniek.
De eerste, fysieke kennismaking met mijn huisgenoten-voor-bepaalde-tijd was om half één ‘s middags. Stipt. Het was lunchtijd en dat betekende aanvallen. Iedereen begroette me met een ferme handdruk of een lieve glimlach en begon smakelijk te knagen aan hun tosti of boterham met pindakaas. Had ik hier echt te maken met mensen met smetvrees, extreme faalangst en een iets te aanwezige dwang om dingen recht te zetten?
Naarmate de dag vorderde kwamen er steeds meer mensen naar me toe. Toch even kijken welk vlees ze in de kuip hebben. ‘Ehm, ja, ik durf bepaalde producten niet te eten, omdat ik denk dat er viezigheden in of op zitten’, zei ik. Ik was toch bang om dit hardop te zeggen. Werd ik nu niet raar aangekeken? Nee, integendeel. Vrijwel iedereen reageerde begripvol en sommigen herkenden zelfs wat terug in hun eigen gedrag.
Na de geruststellende kennismaking en de eerste therapieën kwam aan het begin van de avond toch een grote schok: voedsel uit de centrale keuken. Aardappelpuree waar de gemiddelde Michelin-ster keten spontaan kromme tenen van krijgt. Maar vooruit, nadat ik dit had overleefd was het tijd voor mijn eerste nacht in de kliniek. Met een goede dosis slaap stapte ik in het vreemde bed. Klaar voor de nacht. Inmiddels ben ik al bijna elf weken verder en voel ik me steeds meer op mijn gemak tussen de anderen. Nog even doorzetten en dan mag ik mij ook een kliniek veteraan noemen.