Anne Kersten
Anne Kersten | LinkedIn Nieuws 10 okt 2018 / 12:29 uur

‘En toen stond ik als twintigjarige op straat’

Op bijna iedere straathoek kom je ze wel tegen, de daklozen. Deze groep, die volgens het CBS in 2016 uit 31 duizend man bestond, is een constante factor in het straatbeeld van grote steden. Woensdag, op Wereld Daklozendag, is er aandacht voor deze groep mensen, die eigenlijk vaak vergeten wordt.

Dat het vandaag Wereld Daklozendag is wist je waarschijnlijk niet. Roeland, ex-dakloze, wist het zelf niet eens. De traditie is uit Amerika over komen waaien, daar staat de dag voor extra aandacht voor de dakloze, en een kans om te participeren in de samenleving. In Nederland wordt er relatief weinig met deze dag gedaan, de aandacht voor daklozen is versnipperd: zo heeft belangenvereniging MDHG in mei een dag voor daklozen gehad en organiseert de Kentering in Nijmegen op vrijdag 12 oktober een daklozendag.

Verslagen

Aandacht hoeft de 51-jarige Roeland eigenlijk niet. Hij is gelaten over zijn situatie, „het is zoals het is”. Ieder weekend staat hij voor de HEMA in Utrecht zijn straatnieuws te verkopen, jaar in jaar uit. „Ik denk dat ik dit nu 25 jaar doe. Of 27? Ik houd het niet meer bij.” Hij klinkt verslagen, maar dat kan ook komen omdat hij momenteel het straatnieuws niet kan verkopen door zijn rug. Hij is gevallen en zijn rug is gebroken. „Voor de tweede keer”, vertelt Roeland.

„De eerste keer dat ik mijn rug brak, stond ik net op straat. Mijn ex had mij het huis uitgezet nadat ik door de politie was opgepakt. Toen ik terugkwam was de huur opgezegd en stonden mijn koffers voor de deur.” Hij was toen twintig jaar. „En toen stond ik op straat in Utrecht.”

Bedelen

Zijn dagen vulde hij met bedelen. „Utrecht heeft alleen een nachtopvang, overdag deed ik mijn best om daar geld voor te verzamelen. Bedelen kon toen nog, nu is het anders.” Toch waren er ook zat dagen waarop het niet lukte de nachtopvang in te komen. „Ik heb vaak genoeg buiten geslapen, daar kijkt niemand van op. Ze zien je liggen, maar lopen gewoon langs je heen. Ook als je nog maar twintig bent. Ze kijken je niet aan en lopen door.” Roeland denkt er niet teveel over na, „het is nu eenmaal zo”.

Het waren moeilijke tijden. „Je moet zien te overleven en vooral niet te ver vooruit denken. Per minuut leven, zo deed ik dat.” Dat is ook de periode waarin Roeland een auto-ongeluk krijgt en hij zijn rug op vijf plekken breekt. „Werken was toen niet meer mogelijk. Dat is ook het moment dat mijn motivatie verdween. Waarom zou ik nog moeite doen om een woning te huren, een baan zou ik vervolgens toch niet krijgen.” Roeland blijft op straat.

Onzeker

Tot hij op een gegeven moment mensen krantjes ziet verkopen. Hij zwerft dan al zo’n drie tot vier jaar door de Utrechtse binnenstad. „Ik ben gelijk naar het kantoor van straatnieuws gegaan en toen kon ik ook starten met het verkopen van de krantjes.” Het straatnieuws kost 2,50, waarvan 0,90 cent naar Roeland gaat. Hoewel hij veel plezier uit zijn werk haalt, schiet het niet op. „Ik krijg twintig euro per week, daar kan ik niet van leven.” Momenteel woont hij in een flat van Beschermd Wonen, maar of hij daar kan blijven is onzeker.

„Je zou denken dat ik na bijna dertig jaar een stap vooruit zou kunnen zetten, maar helaas. Ik denk niet dat ik ooit uit deze situatie kom, ik weet ook gewoon niet hoe.” Want zijn leven is nog steeds onzeker. Van het ene adresje naar het andere, het straatnieuws de enige constante factor in zijn leven.

Kanker

„Ik denk dat ik de rest van mijn leven het straatnieuws blijf verkopen.” Afgelopen week heeft Roeland te horen gekregen dat hij kanker heeft. „Het einde is nabij. Ik ga nu gewoon krantjes verkopen in de jaren dat ik nog leef en dan zien we het wel.” Hij is radeloos. „Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ga maar gewoon vrolijk krantjes verkopen in de tijd dat ik er nog ben en we zien wel wat er gebeurt.”

Het straatnieuws verkopen is namelijk een van de dingen waar Roeland echt plezier uit haalt. „Het is het enige wat ik kan doen om mijn gedachten te verzetten, om in contact met mensen te komen.” Daarom staat Roeland ieder weekend voor de HEMA en vraagt hij mensen of hij ze „een goede dag mag bezorgen”. Dat veel mensen dan doorlopen deert hem niet. „Dat ben ik inmiddels wel gewend.”

Foutje gezien? Mail ons. Wij zijn je dankbaar.

Reageer op artikel:
‘En toen stond ik als twintigjarige op straat’
Sluiten