Na het WK van 2010 in Zuid-Afrika dacht ik niet dat dat toernooi ooit nog overtroffen zou worden. Niet zozeer qua voetbal, maar meer op het gebied van de prettige randverschijnselen. De mensen, de stadions, de natuur, de steden, de gastvrijheid; alles was één groot feest. Maar Brazilië heeft het geflikt. De beleving tijdens dit wereldkampioenschap was nog intenser en indrukwekkender. Neem alleen al Rio de Janeiro. Wat een stad. De stranden zijn overweldigend, het (uitgaans-)leven is bruisend, het eten goddelijk en de mensen vriendelijk.

Een van de eerste columns in deze serie ging over de bangmaakverhalen die voor een eindtoernooi in een 'eng' land altijd de ronde doen. Maar ik heb me de afgelopen vijf weken niet één keer onveilig gevoeld. Overal werden we met open armen ontvangen. Brazilianen kunnen dat overigens ernstig overdrijven. Ze willen het hun gasten zo aangenaam mogelijk maken, dus als ze een vraag voorgeschoteld krijgen willen ze altijd een antwoord paraat hebben. Ook al is dat niet het juiste. "Ik weet het niet", is geen optie. Stel dat je op een kruispunt aan vier Brazilianen de weg vraagt, dan wijzen ze allemaal in een andere richting.

De meeste indruk maakten de mensen uit de favela's. Ze hebben geen nagel om aan hun kont te krabben, maar er staat altijd een glimlach op hun gezicht. Ik weet nog goed toen ik in Salvador naar de Arena Fonte Nova liep voor de eerste groepswedstrijd tegen Spanje. Op blote voeten trapte een aantal jochies tegen een bal. Toen het lekke ding tussen twee stenen door rolde, rende de doelpuntenmaker met omhoog gestoken armen over straat. Alsof hij zojuist de winnende treffer van de WK-finale had gemaakt. Hij zag dat ik stond te kijken en keek me lachend aan. Zo van: je hebt toch wel gezien hoe ik die bal onder controle bracht en vervolgens binnen tikte hè? Eigenlijk zijn dat de mooiste momenten van een WK. Om nooit te vergeten.