Wat wil je in De Hoed gooien?
Dat het maar eens klaar moet zijn met het geklooi met mijn naam. Als ik me aan iemand voorstel wordt er zo vaak gereageerd met: hoe, hoe? Of: Hoe kom je aan die naam? Niet alleen mijn achter­naam wordt verkeerd gespeld, het gaat ook vaak mis met mijn voornaam. Raomi, Naomi, Ramona…

Om het af te leren: kun je het nog een keer uitleggen?
Kromowidjojo is een Javaanse naam. En Ranomi is een door mijn ouders bedachte naam.

Ranomi Kromowidjojo kreeg op haar derde verjaardag een badpakje cadeau. Ze dacht: ‘Nu kan ik zwemmen’, en sprong het zwembad in. De peuter zonk naar de bodem. Moeder Netty moest haar uit het water vissen en was ervan overtuigd dat haar dochter van de schrik nooit meer het water in zou willen. Maar Ranomi kreeg er geen genoeg van. Er werd besloten dat ze op zwemles moest. Binnen een jaar had ze diploma A en B.

Inmiddels zijn we zeventien jaar en vele medailles verder. In 2008 won Kromowidjojo op de Olympische Spelen met de estafetteploeg goud op de 4 x 100 meter vrije slag. Afgelopen jaar zwom ze kort na een hersenvliesontsteking naar twee keer goud op het EK en WK kortebaan op de 50 en 100 meter vrije slag.

Wanneer klom jij voor het eerst uit het water en dacht je ‘hier ben ik echt goed in’?

Toen ik 14 jaar was en brons won op de Europese Jeugdkampioenschappen. Ik dacht ineens: ‘Hé ik doe mee met de Europese top.’ Dat smaakte naar meer. Tot die tijd kwam het niet in me op van zwemmen een baan te maken.

Hoe reageerde je omgeving op je keuze voor een zwemcarrière?
Goed. Zoiets gaat natuurlijk niet van de een op andere dag. Vriendinnen op school zag ik bijna niet meer, omdat ik altijd moest trainen. Op mijn 18e verhuisde ik van Groningen naar Eindhoven om daar een professionele carrière op te bouwen. Niet iedereen snapte dat, maar als ik vertelde dat ik grootse plannen had, gunden ze me het wel. Geleidelijk kreeg ik meer een sportersleven dan een gewoon studentenleven.

Mis je een studentenleven?
Nee. Het gaat zo goed met het zwemmen. Ik heb weinig behoefte om echt te stappen en me lam te zuipen. Want als ik dat doe, weet ik dat ik gaar ben op de training.

Heb je eigenlijk tijd voor een liefdesleven?

Ik ben single. Het zou wel kun­nen, maar het is heel moeilijk iemand te vinden die snapt wat je doet en het ook nog eens kan opbrengen. Mijn hele leven staat in het teken van het zwemmen: de vakanties, ik ga op tijd naar bed, moet rekening houden met wat ik eet… Het houdt niet op na de training. Ik praat misschien niet de hele tijd over zwemmen, juist niet, maar in m’n hoofd ben ik er constant mee bezig.

Hij moet wel een sporter zijn.
Die begrijpt in ieder geval de drive. Zomaar iemand uit de kroeg zou dat niet begrijpen. Die zal denken: ‘Waar ben ik nu in terechtgekomen?’

Je maakt onderdeel uit van de estafetteploeg, maar in individuele nummers zwem je tegen diezelfde meiden. Hoe is dat?
Heel gek. Je bent vriendinnen, maar ook elkaars concurrent. Het houdt je scherp. We trainen sa­men en weten allemaal wat de perfecte techniek is. Daar streven we naar. De mentale kant van het verhaal moet je zelf zien uit te vo­gelen. Maar als ik een lekker nummer heb gevonden waar ik vlak voor de race graag naar luister, houd ik dat echt niet voor mezelf.

Waar denk je aan tijdens een race op de 100 meter vrije slag?
Vlak voordat ik het water in spring, denk ik ‘nu gaat het ge­beuren.’ De eerste baan zwem ik goed, maar behoudend, die laat ik niet helemaal vol lopen. De tweede baan moet ik er helemaal voor gaan. Dan zeg ik in m’n hoofd: ‘door, door, knallen, knallen, knallen’. Bij een 50 meter race moet je niet nadenken. Zo­dra je heel bewust denkt ‘ik word moe’, of ‘het gaat lekker’ is het geen goede race.

Je staat erom bekend dat je voor de race een bak water over je heen kiepert. Heb je nog andere rituelen?
Het schijnt dat ik vlak voor de race nog ontzettend aan m’n brilletje zit te klooien, terwijl de starter al lang ‘take your marks’ heeft gezegd. Mijn ouders wor­den er zenuwachtig van en zeg­gen: ga nou gewoon rustig op het startblok staan met twee handen naar voren. Maar die bril moet goed zitten. Het is geen bijgeloof. Het is net als met dat water gooien. Daar denk ik niet meer bij na.

Afgelopen jaar werd je twee weken voor het EK langebaan geveld door een hersenvliesontsteking. Ben je daardoor anders tegen het leven aan gaan kijken?
Eigenlijk niet. Het heeft me wel doen beseffen dat het van de een op andere dag heel slecht met je kan gaan. Ik was in topvorm. Sliep veel, was uitgerust en at gezond. Toch werd ik ineens doodziek.

Besefte je hoe ernstig het virus is?
In eerste instantie dacht ik de volgende dag alweer te kunnen zwemmen en gewoon naar het EK te gaan. Ik moest een week in het ziekenhuis blijven en hoorde dat je eraan dood kan gaan of motorische klachten kan krijgen. Daar schrok ik van. Ik ging doe­len stellen: probeer vandaag te zitten, morgen te staan en de dag erna te lopen.

Raakte je niet in paniek?
Dat kwam niet in me op. Ik kon niet eens huilen, omdat ik zo’n hoofdpijn had. Au, au zeggen ging niet eens. Bewegen kon ook niet. Ik heb me er maar bij neergelegd. Ik wilde doen waar ik het snelst weer normaal van werd. Dat was rustig aan doen.

Wat deed je als eerste toen je uit het ziekenhuis kwam?
Het zwembad in. Ik voelde me nog heel slap, maar ik wilde even vijf meter zwemmen. Proberen of ik het nog kon. Want ik wist: als ik die bepaalde zwembeweging niet meer kan maken, dan is het klaar. Het deed heel erg pijn en het zwemmen leek nergens op, maar ik kon het nog wel. Met een gerust hart kon ik revalideren.

Je was heel snel terug op je oude niveau.
Ja, ik ben eigenlijk nog beter geworden. De lijn die ik voor de hersenvliesontsteking had uitgezet, heb ik door kunnen trekken. Mijn doelen heb ik gehaald. Ik heb een stap terug gezet, maar ook weer twee stappen vooruit gedaan. Dat is heel maf.