Afgelopen zaterdag kreeg ik knie-, elleboog-, en polsbeschermers om en werden er oldskool rolschaatsen onder mijn voeten gebonden. De negende editie van de Nationale Sportweek, waar ik ambassadeur voor ben, ging namelijk die dag van start. Deze hele week staat dus in het teken van sport. Buiten het feit dat er kostelijk gelachen werd om mijn rolschaatskunsten en dat mij geadviseerd werd om vooral te blijven hockeyen, vond ik het erg leuk om een onbekende sport te beoefenen. Naast rolschaatsen werd er onder andere ook aan ‘bossaball’, tafeltennis en rolstoelhockey gedaan.
De reden dat ik ambassadeur ben voor deze stichting is dat ik het belangrijk vind dat kinderen niet hele dagen achter de computer zitten, maar ook actief bezig zijn op een sportveld. Kinderen bewegen te weinig en dat is helaas ook zichtbaar. Wat ik wil overbrengen aan die kinderen, is dat sporten niet per se vermoeiend is, maar dat het ook leuk is om samen actief bezig te zijn en vooral veel plezier te beleven op het veld, in de zaal of in het zwembad.
Zo sprak ik een jong meisje, met een niet al te atletisch lichaam. Ze vertelde me dat ze nog nooit sportlessen had gevolgd, behalve de gymlessen op school. Ik nam haar mee naar het tafeltennissen en zag haar opleven tijdens de clinic. Ik hoop van harte dat haar ouders haar aan het begin van het nieuwe seizoen opgeven bij een tafeltennisclub. Juist de ouders spelen hierbij een belangrijke rol. Zonder stimulans van de ouders, komen de kinderen niet achter die computer vandaan. Zo is het bij ons thuis ook altijd gegaan. Er werd gesport, niet gegamed. En ik ben overigens erg blij dat mijn ouders me voor het hockey hebben opgegeven en niet voor het rolschaatsen.

















