De dageraad heeft zich nog maar net aangediend, maar de winderige oevers van de rivier de Ganges in het Indiase Varanasi barsten al uit hun voegen van de menselijke activiteit. De lange rij van 84 zogeheten ghats (brede en steile treden langs een strook van 7 kilometer) zijn gevuld met devote Hindoestanen die hun ziel, lichaam en kleding schoonmaken in het heilige water.

Het is vijf uur in de ochtend als ik in een oude vissersboot klim. Zittend op een houten bankje, waarvan de verf aan alle kanten afbladdert, kijk ik verwonderd om me heen naar alle mensen langs de oever van de rivier.   

Gelovigen zijn van heinde en verre naar Varanasi getrokken. Deze plek, op een goede 780 kilometer van Delhi, wordt gezien als meest heilige van India. En elk van de 84 ghats heeft zijn eigen doel.
We varen verder over de troebele waterweg, een bruine veeg door het landschap, terwijl de ochtendzon langzaam zijn intrede doet. Honderden mensen hebben zich verzameld bij de ri-vier, velen waden er tot hun middel doorheen. Een nog groter deel is bezig met het nemen van een soort douche, waarbij ze handenvol van het heilige, maar smerige water over zichzelf heen gooien. Weer anderen zijn bezig met het schrobben van hun gewaden op de stenen trappen, terwijl stroomafwaarts een kudde vee op zijn gemakje het water inslentert.

De tempels zijn in snoepkleuren geschilderd en aan de top van de trappen lijkt de gestage stroom van toeristen verwelkomd te worden. Een groot deel van de mensen offert er bloemen en fruit aan de goden.

Varanasi is een plek waar leven en dood samenkomen. Intense vlammen branden fel aan de ri-vieroever, tot aan Manikarnika, de belangrijkste ghat om een vuur te ontsteken.

Uit respect stoppen we onze camera’s weg als we de kade opgaan, waar verschillende crematies in het volle zicht worden uitgevoerd. Ceremonies worden de hele dag uitgevoerd en de Hindoe’s geloven dat degenen die hier gecremeerd worden, sneller een hoger plan bereiken. 

Het voelde een beetje als inbreuk doen, om zulke private momenten te bekijken. Maar India, realiseerde ik me snel, heeft andere opvattingen over de dood en gaan op een erg open manier met de dood om.
Ik stond discreet stil in een rustig hoekje met een groepje andere reizigers. We keken toe hoe een processie van lichamen, allemaal gedrapeerd in gouden stoffen, naar het water gedragen werden en erin werden gedoopt.

De rest van de dag brachten we door met het te voet verkennen van de ghats en steegjes van Varanasi. Soms moest je je langs een koe in de smalle straatjes wurmen, op iedere hoek hoorde je lachende kinderen. Ik begaf me naar Mandapur Road. Het verkeer van Varanasi vulde de stra-ten, het krioelde van de tuk-tuks, brommers, auto’s en koeien.

Terug bij de rivier, wandelden we over Dashashwamedh, een van de drukste ghats en een van de belangrijkste voor de religie. Koopmannen verkopen exotische kruiden, samosa’s en felgekleurde sari’s, terwijl geiten de schaduw opzoeken. De avond viel in en snel werd het tijd voor de avondceremonie ‘Puja’, uitgevoerd ter ere van god Shiva en de rivier de Ganges. De donkere ri-­vier werd verlicht door drijvende kaarsjes die geofferd waren aan de goden. Vijf zingende priesters dragen golvende witte jurken en staan voor een menigte van honderden mensen. Ze tillen fakkels hoog boven hun hoofd, in perfecte harmonie. Het was een passend einde bij zo’n spirituele en spectaculaire dag.