Precies vier eeuwen geleden stuurde de Amsterdamse kapitein Adriaen Block zijn schip langs de Amerikaanse oostkust. Hij was op zoek naar een doorgang richting China – er was zee ten noorden van Amerika dacht men – toen hij een baai vond met daarin een prachtig eiland. Vanwege de rode klei noemde hij het Roodt Eylandt. Die naam bleef hangen voor de hele baai en de wijde omtrek. Zo ontstond na de onafhankelijkheid Rhode Island, veruit de kleinste staat van Amerika.

Maar ook een van de mooiste. De staat die ongeveer half zo groot is als Nederland, lijkt op een gekke mix van Scandinavië, Schotland en de Provence. Glooiende heuvels worden afgewisseld met prachtige langwerpige baaien die diep het land in steken. In het noorden van de staat liggen dichte bossen vol naaldbomen. De kuststrook bestaat uit velden vol wuivend graan en zoet geurende lavendel. Het is een van de weinige streken in Amerika waar je mensen geregeld op de fiets tegenkomt. Niet voor niets zeggen de Amerikanen dat Europa eigenlijk in Rhode Island begint.

Nu is een goede tijd om de staat te bezoeken. Deze periode heet de indian summer, het moment dat de bladeren zo fel geel kleuren dat de bossen soms in brand lijken te staan. Temperaturen zijn nog aangenaam en het regent weinig. Een auto is eigenlijk onontbeerlijk en voor een paar tientjes per dag te huren. Rhode Island is het makkelijkst en goedkoopst te bereiken vanaf de luchthavens van New York, ongeveer drie uur rijden van de hoofdstad Providence.

Wie niet wil rijden, kan varen. Een bootje is een lekkere manier om op rustige plekjes te komen. De baai die Rhode Island in twee gelijke stukken deelt, kent vele zijbaaitjes waar hele dagen niemand komt. Vissers houden van de vruchtbare zeearmen waar volgens de lokale verhalen de beste vis van de hele oostkust wordt gevangen. Philip Dröge