Wanneer je op Gran Canaria landt, zal je eerste indruk verschrikkelijk zijn. Het vliegveld ligt op het lelijkste gedeelte van het eiland, en alsof het nog niet droog en onbezield genoeg was, haasten de Canariërs zich om er nog een industriegebied te bouwen ook. Nee, mooi is anders. Op het eerste gezicht. Als je op Gran Canaria echt voet aan de grond wilt krijgen, moet je de bergen in trekken.

Die zijn jong, ruig en divers. Een opeenstapeling van natuurlijke schoonheid en elementair geweld. Ze liggen mooi in de binnenlanden en scheiden op natuurlijke wijze de verschillende klimaatsoorten van elkaar. Zo kun je, als je op de top van de vulkaan Pico de Bandama staat, met tien passen de warmte voelen van het zuiden en oosten en, tien passen terug, de vochtige kou van de noordoostelijke passaatwind. Kijk je de ene kant op, dan zie je een bombardement van groen, naaldbomen en amandelbomen. Draai je een kwartslag, zie je een duizelingwekkende krater, waar de wind vrij spel heeft. Kijk je wéér een andere kant op, zie je een grijs wolkendek dat de noordkant van het eiland beslaat. En dat is vreemd, op een eiland waar de kans op mooi weer honderd procent is.

Nog hoger ligt de Pico del Pozo de las Nieves (1949 meter), die eveneens door vulkanische activiteit is ontstaan. De weg er naartoe is een must voor elke avontuurlijke reiziger – nauwe weggetjes voeren langs slaperige dorpjes, steile ravijnen en bizarre rotsformaties.

Ook de lucht is in verschillende smaken verkrijgbaar op Gran Canaria. Vochtig, zoet, zilt, droog, stoffig of limoentjesfris. Bijvoorbeeld bij Magüy, de eigenares van Las Calas, een hotel annex pension nabij het dorpje Vega de San Mateo, op de dichtbegroeide hellingen aan de noordwestkant van het eiland. Laat weten dat je komt en er staat een geweldige gazpacho voor je klaar, van tomaten uit haar tuin, met een vleugje kruiden uit hetzelfde paradijsje.