Stom. De fietsverhuurder had nog gevraagd of hij de mountainbike moest uitrusten met gps-ontvanger. Nee hoor. Die slijtvaste kaart zou wel voldoen. De 74 atb-routes stonden er toch duidelijk op uitgetekend, inclusief moeilijkheidsgraad, hoogtemeters en uitwijkopties? Maar na drie uur trappen is de beoogde eerste stop in de historische stad Goslar nog niet in zicht. Ik ben al vier keer een andere weg omhoog gefietst op wat na de afdaling telkens dezelfde berg blijkt. De fietskaart mag dan overzichtelijk zijn, de wegwijsbordjes (klein om het bos niet optisch te vervuilen) zijn dat heel wat minder. Er zijn ook zóveel routes. Wie tijdens een fiets- of wandeltocht in de Harz een inwoner (als je die tegenkomt) de weg vraagt, krijgt meestal een wedervraag: ‘Maar meneer, hóe wilt u daarheen?’ (altijd ‘u’, zo zijn de Duitsers). ‘Moet het een moeilijke route zijn of juist een makkelijke? Wilt u eerst klimmen en dan dalen of liever andersom? Wilt uitzicht op het dal houden of er liever doorheen?’ Verlegen met zoveel hulp, is het dan al heel wat om een duidelijk antwoord te geven. De aanwijzingen onthouden is ganz was Anderes.

’s Morgens was ik vertrokken uit Clausthal-Zellerfeld, een wat bedaagd dubbeldorp met glooiende straten, houten huizen en knusse restaurants (paddenstoelen!, wild!). Het heeft een kleine, technische universiteit, maar gek genoeg amper kroegen. Gisteren was dat een teleurstelling, vandaag is het een voordeel. De fietstocht vanuit Zellerfeld voerde over grindpaden door dichte bossen en over heidevelden. De omgewoelde plaggen duidden op de aanwezigheid van wilde zwijnen, rijkelijk aanwezig in de Harz, waar ook herten, reeën en lynxen rondlopen. De route liep langs scherpe dalen en over modderige dijkjes. De dijken vormen samen met stuwmeren, tunnels en beekjes een slim systeem van waterhuishouding, aangelegd tussen de 16de en 19de eeuw ten behoeve van de mijnbouw. Het zorgde voor afwatering uit de mijnen en dreef tegelijkertijd via waterraden schachtliften aan. Het stelsel is nog grotendeels intact en zo uitgekiend dat het een plek kreeg op de Unesco-lijst van werelderfgoed.

Op weg naar de andere Unesco-erfstukken, de mijnen van Rammelsberg en de binnenstad van Goslar, stuit ik op Sovjet-bouwsels - de Harz bevond zich in de DDR-tijd grotendeels in het grensgebied tussen Oost en West. Ik vraag nogmaals de weg. Nu is het simpel: bergaf. Stuiterend rij ik via het indrukwekkende Rammelsberg Goslar binnen. De stad is sprookjesachtig. De vakwerkhuizen in de met kinderkopjes geplaveide straten hebben golvende daken van leisteen. De gevels hellen over, zodat de daken elkaar over de steegjes heen bijna aanraken. Het marktplein blijkt verrassend levendig, met restaurants die forellen serveren uit eigen vijver en cafés die fiets- en wandelvolk laten aansterken met Windbeutels, een soort slagroomsoezen ter grootte van een basketbal.

Opgeladen fiets ik verder. Na de industrie van Oker en een paar felle klimmetjes door het bos opent zich het Okerdal, waar hunebed-achtige rotsblokken als door reuzenhand in het landschap zijn gesmeten. Soms schiet er een eekhoorn voor mijn wiel omhoog een boom in. In weilanden grazen roodrunderen. Hé, is dat niet een marter? Verderop doet het landschap Engels aan, maar dat zal de piekfijn onderhouden paardenrenbaan wel zijn. Zo zet de Harz de bezoeker vaak op het verkeerde been: ruige natuur en menselijke ingrepen gaan hand in hand. Net bekomen van een gigantisch (en ietwat grimmig) bouwwerk als de Okerdalstuwdam, fiets je even later weer een uur lang in je dooie uppie langs lieflijke beekjes.

Bij terugkeer in Zellerfeld begint het al te schemeren. Nog mazzel dat materiaalpech is uitgebleven. Morgen weer een andere route, een van de 71, of een combinatie van routes. Nagloeiend met hertenvlees, rode kool, aardappelkroketjes, eekhoorntjesbrood en bier, bedenk ik dat dit misschien het enige nadeel is van de mountainbikeroutes in de Harz: er zijn er te veel van.