Zes mensen hebben ten onrechte jarenlang in de gevangenis gezeten voor een moord in Breda uit 1993. De Hoge Raad heeft dinsdag een verzoek van de procureur-generaal gekregen om de veroordeling van het zestal te herzien. De zes hebben hun celstraf inmiddels uitgezeten.
Uit onderzoek is gebleken dat er geen enkel ondersteunend bewijsmateriaal is dat de zes bij de moord betrokken zijn geweest. De veroordeling werd uitsluitend gebaseerd op verklaringen van de drie vrouwelijke verdachten.
Bijna twintig jaar geleden, op 4 juli 1993, werd het lichaam van een vrouw gevonden in een Chinees restaurant in de Brabantse stad. Het bleek te gaan om de moeder van de eigenaar. Ze was door geweld omgekomen.
In de jaren daarna werden drie mannen veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Drie vrouwen kregen lagere straffen variërend van twaalf tot 21 maanden voor medeplichtigheid aan de moord. De drie vrouwen bekenden na lang onderzoek en verklaarden dat de drie mannen ook bij de zaak betrokken waren.
De mannen hebben altijd volgehouden niets met de moord te maken hebben gehad. Een van de vrouwen trok haar bekentenis vlak voor haar veroordeling in. De twee die toen volhardden in hun bekentenis, hebben nu toegegeven dat deze vals waren.
Hoogleraar Peter van Koppen had de zaak aangedragen bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS), die dna-onderzoek heeft laten uitvoeren. Hieruit kwam dna-materiaal naar voren van een onbekende man, dat niet matchte met dat van een van de drie mannelijke veroordeelden.
De Hoge Raad beslist in december of de veroordeling van het zestal moet worden herzien. Als dat gebeurt, wordt de zaak doorverwezen naar een gerechtshof dat nog niet over de zaak heeft geoordeeld. Dat hof moet de zaak dan opnieuw onderzoeken.
De Raad voor de rechtspraak wil in afwachting op de beslissing van de Hoge Raad niet inhoudelijk reageren. Wel laat de raad weten 'zeer geraakt' te zijn door de nieuwe feiten die aan het licht zijn gekomen.
"De mogelijkheid dat onschuldigen zijn veroordeeld en onterecht hebben vastgezeten raakt de rechtspraak diep", stelt de raad in een verklaring. Volgens de raad is dat 'het schrikbeeld van iedere rechter'. Ook leeft de rechtspraak mee met de nabestaanden van het slachtoffer en andere betrokkenen die 'na al die jaren weer met deze ingrijpende gebeurtenis geconfronteerd worden'.













