1. Vertrek uit Lissabon. Laura zeilt meteen op de passaat, een harde wind, met continu kracht 6-7. Ze zal hard gaan, maar die constante harde wind is een ontzettende aanslag op je schip en op jezelf.

2. Caraïben. Het orkaanseizoen is al begonnen. Tegen de tijd dat Laura er aankomt, is hij in volle hevigheid losgebarsten. Ze zal er rekening mee houden, onder meer door een lange stop in te lassen.

3. Panamakanaal. Daar mag je niet zelf doorheen varen. Laura gebruikt een loods.

4. Galapagos-Niku Hiva. Hier krijgt Laura’s boot Guppy de volle kracht van de zuidelijke passaat in de zeilen. Dat betekent: hoge golven, slijtend materiaal. Ook is het oppassen voor vrachtschepen. Die kunnen een klein zeiljacht zomaar overvaren.

5. Straat Torres. Erg ondiep. Ook zijn er allerlei eilandjes waar je tegenaan kunt varen.

6. Straat van Singapore. Veel vrachtverkeer. Je komt zo onder een supertanker. De route dwars door Indonesië betekent ook gevaar voor piraterij.

7. Golf van Aden. Piraten. Laura en het ondersteunende team zullen de actuele ontwikkelingen op de voet volgen. Is het gevaar te groot, dan gaat de route vanaf Bali zuidelijk om Zuid-Afrika heen (blauwe route). Nadeel hiervan: vaker slecht weer.

8. Rode Zee. Hitte. Dat is slopend. Je kunt er de wind tegen hebben. Dat betekent: kruisen, met elke zoveel uur een nieuwe slag. Veel werk voor één bemanningslid op een flink getuigd schip.

9. Middellandse Zee. ’s Zomers goed te doen, maar rotweer in de winter.