Nietszeggend

Martine van der Jagt 1 jul 2015

Als ik het goed bekijk ben ik niet meer dan de doorsnee mens waarmee ik dagelijks in het openbaar vervoer stap. Mijn reis begint zoals velen met mij op een metro station in Rotterdam. Met een nog wattig hoofd door de slaap (ik had me liever nog een uurtje omgedraaid, maar de plicht roept), houd ik mijn OV chip kaart voor de poortjes. Ik ben te lui om de trap te nemen en stoor me niet aan de mensen die onder mij ongeduldig en enigszins geirriteerd naar boven kijken. Ze hopen dat ik in beweging kom en dat niemand mijn luie voorbeeld volgt. Ik negeer hun blikken en blijf lekker staan. Ik heb de tijd, de metro komt pas over twee minuten. Net genoeg om mijn telefoon uit mijn tas te halen en te checken of ik tussen het moment dat ik van huis vertrokken ben en op het metro perron ben aangekomen een bericht heb ontvangen. Het zou zo maar kunnen, toch?
Terwijl de metro het station binnen rijdt, stel ik in een split second vast dat de meeste mensen zoals iedere dag zich niet verspreiden over de gangpaden, maar en masse in de buurt van de deuren blijven staan. Ik werk mij zelf naar binnen, vraag aan een paar ruggen of ze alsjeblieft opzij willen gaan en baan zo een weg naar het midden van het gangpad. Hier heb ik de ruimte. Hier kan ik adem halen. Hier kan ik weer ongestoord naar mijn telefoon staren, zoals negen van de tien reizigers met mij. Ik weet dat ik over twee haltes mijn staplaats kan verruilen voor een zitplaats. En dat ik na de derde halte mij zelf weer richting de deur van de metro moet begeven. Dan begint deel twee van mijn reis. Het centraal station in Rotterdam. Ik ken inmiddels de snelste weg naar boven, via de lift. Het is een route die nog niet veel mede reizigers hebben ontdekt en dat wil ik graag zo houden. Met een beetje geluk sta ik alleen in de lift, als ik pech heb dan wringt iemand zich net bij het sluiten van de liftdeur naar binnen. Dat kost me doorgaans een minuut, waardoor de kans dat ik mijn trein mis aanzienlijk groter wordt. Vandaag zijn de goden mij gunstig gezind. Mijn trein heb ik gehaald en een zitplaats heb ik ook kunnen bemachtigen. Opgelucht haal ik adem. Ik pak mijn telefoon uit mijn tas en verdiep mij in de berichten die nog steeds niet binnen gekomen zijn. Nietszeggend, net zoals alle mensen om mij heen.