De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer gooide al hoge ogen met haar debuut Nu de Slapende Honden en maakt met haar tweede bundel Santenkraam de hooggespannen verwachtingen meer dan waar.
De gedichten in Santenkraam horen grotendeels bij elkaar en verhalen over Skipskop, een vissersdorpje dat in de jaren tachtig werd ontruimd door de apartheidsregering. De harde Zuid-Afrikaanse werkelijkheid met moord en racisme is dan ook niet verdwenen, maar wordt dit keer geplaatst in een bijna mythische onderwaterwereld.
Het verdriet dat de personages uit Skipskop kennen, zoals dat van ome Grotevis Visser en van Malle Maria, weet Kamfer te vatten in prachtige taal (‘na aan Klippenkust’, ‘Mal Maria’). Beelden ontstaan voor je ogen als je de gedichten hardlop leest. Maar tegelijkertijd creëert ze een magische wereld, bijna spookachtig mooi, waar de zingende zeemeerminnen je als sirenes in meelokken (‘onder water’ en ‘de diep’).
Kamfer neemt je mee op een vlucht door haar prachtige, betoverende taal, maar laat je weer net zo hard vallen als de harde werkelijkheid toch nog een dreun na geeft.



















