Lieve Willem, potverdikke, wat was ik blij toen ik zag dat er een homoboer meedeed aan Boer zoekt Vrouw. Eindelijk zou er een nieuwe gay-wind waaien over het ingedutte platteland. Dit keer geen gezapige ouwe vrijsters op zoek naar een vent, maar frivole gays die strijden voor hun boer. En wat voor een boer: je pakte me compleet in met je guitige voortandjes, je ontwapenende lach, en toen je bijna huilde bij het zien van zoveel brieven, jankte ik een potje met je mee.

Maar het valt me een beetje tegen, Willem. Al die mannen kussen je klompen. Ze vinden je een lekker ding met diamantjes in de ogen, ze vinden het ‘interessant’ dat je je eigen koeien opeet, en bestempelen je biologisch dynamische zorgboerderij als een paradijs. Ze vragen je de blauwe overall van het lijf. En wat doe jij? Je slaat elke vraag dood. “Toen je op Texel woonde dacht je toen: verdorie, er is hier niks?”, vraagt Klaas. “Nee, hoor eigenlijk niet”, antwoord jij. “Geniet nog maar even van je rust”, zegt Yvon. “Ik heb al genoeg rust gehad”, zeg jij. En Willem, jij moet óók vragen stellen. En dan bedoel ik meer dan: “Ben je wel eens eerder in een melkput geweest?” Je communiceert niet met de Downers die op je boerderij werken, je praat met de mannen die je soulmate kunnen zijn. Daar is meer voor nodig dan constant blij te knikken als een hondje op de hoedenplank. Er is een ding waar ik hoop uit put: als je de mannen kust, plant je de derde zoen op hun lippen. Bouw het uit, maak er werk van, Willem. Ik reken op je.