Samen met mijn jongere broertje maakte ik in 1969 een fietstocht langs familieleden. De fietstassen zwaar beladen met alle benodigdheden voor de overnachtingen en brood en drinken voor onderweg. De route voerde ons door Rotterdam, om preciezer te zijn door de Maastunnel. In mijn beleving een niet erkend wereldwonder. Bruggen over rivieren: dat konden ze overal in de wereld, maar zulke lange tunnels onder water door: daarvoor moest je toch echt in Nederland, preciezer in Rotterdam zijn. Nieuwsgierig gespannen fietsten we richting dit staaltje technisch vernuft.

Welgemoed begaven we ons onder water. Wel een beetje schrik, dat we als fietsers via de voetgangerstunnel moesten en via een enorme roltrap ondergronds werden vervoerd, maar we lieten ons niet afschrikken. Omrijden via één van de bruggen was geen optie voor de twee provinciejongens in een wereldstad. De angst onherstelbaar te verdwalen was te groot. Wat een opluchting dat we ongeschonden het vlakke gedeelte van de tunnel bereikten. Even later wachtte ons de volgende uitdaging: met de roltrap weer omhoog. Boven lonkte het vervolg van onze tocht. Het liedje dat we via een roltrap de hemel zouden bereiken, bestond weliswaar nog niet, maar we beleefden het al voor het bestond.

Daar gingen we met onze fietsen de roltrap op. Ik als oudste broer voorop. Ergens op de helft begon mijn fiets te schuiven. Langzaam maar zeker gleed ik naar beneden waarbij ik de fiets van mijn jongere broer raakte. Die hield zijn vervoermiddel niet in bedwang en gleed langzaam maar zeker naar beneden. Bezorgde voorbijgangers drukten op de noodknop, zetten de roltrap stil en ontfermden zich over hem.

Daar stond ik dan: niet boven, niet beneden, maar ergens tussenin. De hemel even onbereikbaar als de aarde.

Wie mij uit deze benarde positie bevrijdde, hoe die bevrijding verliep, het is voor mij ook onbegrijpelijk, maar alleen deze onmogelijke positie heeft zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift. Rotterdam, Maastunnel, tussen hemel en aarde.