Als bewoner van de smerigste en meest overschatte stad van Nederland (Amsterdam) ben ik er wel aan gewend dat mensen me om geld vragen.
De geldvragers van Amsterdam kunnen het dagelijkse leven nogal belemmeren: ze springen bijvoorbeeld voor je fiets -met een andere fiets - om je een fiets te verkopen of lopen achter je aan met een grote blaffende hond zodat je ze geld geeft voor hondenvoer. Wat de Amsterdamse geldvragers ook vaak doen is je benaderen zodra ze zien dat je ergens niet wegkan. De straatwervers van goede doelen zijn daar nog veel beter in dan bedelaars. Ze zetten je klem wanneer je op de pont staat te wachten; als waterslangen glijden ze door de mensenmassa naar je toe, totdat je opeens omsingeld bent. “Ik steun jullie al”, zeg ik steevast, wat ook altijd waar is, want na 365 dagen met de pont gaan is er geen goed doel meer waar ik nog geen lid van ben. Maar de repliek die ik dagelijks bij de pont krijg is: “Hoe heten we dan? En voor hoeveel euro per maand steun je ons dan? En weet je wel wat er met dat geld gebeurt?” Je zou toch meer verwachten van een organisatie die meer geld van me krijgt dan mijn eigen kinderen (lees: katten).

Nog vervelender dan de straatwervers zijn straatmuzikanten die niet van muziek houden. Je herkent ze aan hun chagrijnige blik en het feit dat ze geen geld verdienen met spelen, maar met weggaan, zodat mensen ongehinderd op een terras kunnen zitten en elkaar kunnen verstaan wanneer ze praten. Nee, die ouderwetse bedelaars zijn zo erg nog niet. Met een enkele euro zijn ze dolblij en dan wensen ze je nog een prettige dag ook. Sinds kort ben ik erachter dat ze voor 2 euro of meer zelfs alle straatmuzikanten en fondswervers op veilige afstand willen houden.  Bovendien geven ze Amsterdam die kosmopoliete uitstraling waar geen hoofdstad zonder kan. Dus steun de zwervers in hun oorlog tegen de straatventers en muzikanten, want we zitten in hetzelfde smerige schuitje: Amsterdam.