In de winter ligt de hockeycompetitie meestal drie maanden stil en ruilen de hoofdklassespelers het veld in voor de warme zaal. Tevens start hiermee de jaarlijkse discussie over het spelletje. In Nederland zien we het zaalhockey niet als een grote sport, maar eerder als een bezigheid tijdens de winterstop tot het veldhockey weer begint. Het is immers geen Olympische sport. De competitie is te kort en weinig clubs hebben een eigen zaal om in te trainen. Voorstanders willen de sport professionaliseren en de competitie langer door laten lopen.  

Veldinternationals hebben nooit de mogelijkheid mee te doen aan de zaalhockeycompetitie. We trainen in december lang door en in januari vertrekken we naar het buitenland voor een trainingsstage of een toernooi. Nu ik de Champions Trophy mis zou ik mee kunnen doen, maar doe ik het niet. Jammer, maar één ding is zeker: het Nederlands zaalhockeyteam zal mij niet missen. 

Vorig jaar vroeg ik de coach of ik een wedstrijd mee mocht doen met het Amsterdamse zaalhockeyteam. Hij was enthousiast en zo speelde ik na acht jaar weer een zaalwedstrijd. Bij mijn eerste actie lifte ik de bal over mijn tegenstander’s stick, maar meteen werd ik teruggefloten door de scheidsrechter. Ik stond al klaar om verhaal te halen, tot een teamgenoot me er op attendeerde dat de bal niet omhoog mag in de zaal. Vergeten. Tijdens mijn tweede balbezit eindigde ik zoals vaak op mijn backhand, op het veld gaat de bald an met mach 100 richting de goal… Maar ook slaan mag niet in de zaal, bedacht ik me te laat. Mijn coach werd naarmate de wedstrijd vorderde minder enthousiast en ik kwam zelfs op de bank. Dus nee, zaalhockey is niks voor mij. Wel om naar te kijken trouwens en daar heb ik dit jaar alle tijd voor.